We schrijven januari 1994, Koksijde: Paul Herygers wordt wereldkampioen veldrijden na een heroïsch duel met de Nederlander Richard Groenendaal. Een overwinning die de geschiedenisboeken induikt dankzij dat ene schouderklopje van de nu 53-jarige Kempenzoon. Herygers werkt vandaag voor Bloso, maar ook op de cross is hij steevast present. “Wij waren klootzakskes, veel meer dan de renners nu.”

Wel duizend keer heeft hij de vraag gekregen. Of dat schouderklopje met voorbedachte rade was toen hij twee ronden voor het einde na een slopende achtervolging Richard Groenendaal bijbeende. “En het antwoord blijft neen”, lacht Herygers. “Dat was een ingeving van het moment. Dat was wat uitdagen, ja. Was dat denigrerend? Misschien. (zwijgt even) Ik weet niet of ik het opnieuw zou doen. Maar beheers je maar op zo’n moment, hè. Je waant je in een sprookje. Jij, dat manneke dat een goed jaar geleden nog zijn handen vuil maakte in de steenfabriek, jij gaat wereldkampioen worden.”
Dat leverde legendarische televisie op, maar je riskeerde wel je winstkansen. Groenendaal reageerde als door een wesp gestoken.
Dat is juist. Toen ik hem aanraakte, versnelde hij weer. Godverdikke, dacht ik even, wat heb ik nu gedaan. Gelukkig bleken het zijn laatste pijlen. Vlak voor de aankomst neem ik opnieuw risico’s: op en af de fiets springen. Dat is hoe ik ben. Ik ben een raar geval (lacht). Maar ik voelde me nooit zo goed als die dag. Ik kon alles aan.

Paul Herygers heeft een atypische levensloop achter de rug. Pas op zijn 29e is hij prof geworden. Voordien wroette hij in de steenfabriek in Westmalle. Aan de machine staan. Natte klei afkappen en afvoeren met de kruiwagen. Geen werk voor doetjes. Na de uren en in het weekend kroop hij de fiets op. Cross en mountainbike. In dat laatste is hij zelfs drie keer Belgisch kampioen geworden. Dat waren slopende jaren. “Mensen vragen me soms waarom ik na die wereldtitel nooit meer op een podium van een WK heb gestaan. Dan verwijs ik naar de tien jaren voordat ik prof was. Ik heb toen te veel pijlen verschoten. Ik heb me niet genoeg verzorgd. Ik kreeg nooit een goede massage, ik nam nooit rust. Ik denk niet dat ik ooit een uur in de zetel heb gelegen. Ik was altijd bezig: van maandagochtend tot zondagavond. Werken en fietsen.”

Waarom hij niet eerder prof geworden is? “Ik was te beperkt. Op een zwaar parcours ging ik af als een gieter.” Op zijn 29ste krijgt hij toch een contract voorgeschoteld en hij grijpt die kans met beide handen. Twee jaar later staat er al een Belgische én een wereldtitel op zijn palmares. Er zou nog één Belgische titel volgen. “Ik ben sportdirecteur Gerard Bulens eeuwig dankbaar voor die kans.”

“Ik moest werken om geld te verdienen. En ik heb mij nooit te goed gevoeld voor de fabriek.”

Wie zou hier anders voor mij zitten?
Een povere werkman. En een versleten manneke. Als je als arbeider niet uit die steenfabriek weg geraakt, ben je de draad af als je 60 jaar bent.

Je bent zeven jaar prof geweest. Daarna keerde je wel terug naar de steenfabriek. Ik zie het weinig wereldkampioenen doen.
(lacht) Ik weet het. Dat is ook amper te verklaren. Maar ik was niet binnen, hè. Ik moest werken om geld te verdienen. En ik heb mij nooit te goed gevoeld voor de fabriek. Ik ben altijd een simpele jongen gebleven. Mijn ouders hebben mij dat geleerd. Dat waren hardwerkende mensen met zes kinderen. Wij moesten al pienter zijn om een stuk vlees te bemachtigen. Je vergeet dat niet. (zwijgt even) Mijn ouders zijn allebei vroeg gestorven. Ze hebben mij nooit prof zien worden. Dat is het enige wat ik echt jammer vind. Ik koester heel hard de levenslessen die zij mij hebben meegegeven. Voor de rest ben ik een gelukkig mens, dat meen ik.

Wat doe je vandaag?
Ik ben magazijnier voor Sport Vlaanderen (het vroegere Bloso, red) in Herentals. Ik ben blij dat ik deze kans gekregen heb. Ik doe dat liever dan het werk in de steenfabriek. Let op: wie nooit gewerkt heeft, zou misschien ook hiervoor zijn neus ophalen. En ik ben nog steeds niet te beroerd mijn handen vuil te maken. Daarnaast vind je mij op de cross, nog altijd mijn grote passie. Ik ben parcourskeurder voor de Belgische bond en co-commentator voor Sporza en Telenet.

Al jaren wordt het veldrijden gedomineerd door Vlamingen en Nederlanders. Is dat niet dramatisch voor de geloofwaardigheid van de sport?
Nee, ik lig daar niet wakker van. En weinig mensen, denk ik. Natuurlijk geven Zwitsers en Tsjechen extra kleur aan een wedstrijd. Maar cross zal altijd populair blijven bij ons. Het niveau ligt ook echt hoog vandaag. De toppers zijn zo volmaakt: op geen enkel parcours zakken ze door de mand. Laat ons hiervan gewoon genieten.

“Wij waren klootzakskes. In de remmen vliegen om de anderen te voet te zetten.”

Zijn de renners niet heel lief geworden voor elkaar in vergelijking met jouw tijd?
Dat is wel zo. Wij waren venijniger. Wij waren klootzakskes. In de remmen vliegen om de anderen te voet te zetten. Of iemand op de schouder tikken. Dan ben je al een redelijke klootzak, hè (lacht). Ik reed eens met Adrie van der Poel naar een doorgang tussen twee bomen. Duwen en trekken. Op leven en dood. Elkaar bijna verongelukken om toch maar als eerste door te komen. Na de koers durfden we elkaar niet aankijken uit schaamte. Dat is wel blijven hangen tussen ons. We maken geen ruzie als we elkaar zien, maar je voelt wel dat onze relatie licht ontvlambaar is. Nu, ik ben niet rancuneus. Of toch niet snel. Ik denk dat ik voor niemand een omweg moet maken.

Ook niet voor Groenendaal?
(enthousiast) Nee, dat is echt een lieve knul. Ik durf zelfs zeggen dat dat een kameraad geworden is. Hij mag mij ’s nachts uit mijn bed bellen. Ik draag hem in mijn hart. Dat is zo sinds een jaar of vijf. Dat is begonnen met een dubbelinterview. Toen hebben we elkaar echt leren kennen.

Zouden de renners vandaag wat meer klootzak moeten zijn?
(blaast) Ik denk niet dat dat nog kan. De camera’s zien alles.

Iets anders. Op Twitter volg jij alleen je dochter Femke. Is dat het omgekeerde Oedipuscomplex?
(glundert) Nee, maar ik ben zot van die kleine. Ik zou haar elke dag vijf of zes keer bellen. Gewoon om te vragen wat ze aan het doen is. Hey stalker, zegt ze dan.

Zij is model. Wat doet het je als zij halfnaakt op de cover van een magazine staat?
De eerste keer was dat wennen, vandaag niet meer. Het is niet dat ik haar aanmoedig om dat te doen. Maar ik ben wel fier op haar. Ik denk vaak: kleine snotter, jij hebt zoveel meer lef dan je ouwe. Zij durft een podium te beklimmen en een speech te geven. Zij durft in haar bikini te poseren. Ik zie het mezelf niet doen (lacht). Zij realiseert ook wat ik nooit gekund heb: een eigen huis op haar 22e en een appartement dat ze verhuurt. Een lefgozer, noem ik dat.

Om af te sluiten: wie is de grootste veldrijder ooit?
Dat is echt moeilijk voor mij om zeggen. (zwijgt even) Ik denk dat je uiteindelijk wel bij Sven Nys terechtkomt: het aantal titels, de duur van zijn carrière, de concurrentie waartegen hij heeft moeten opboksen.

Ben je tevreden over jouw carrière?
Ja. Al is mijn stelling dat je carrière pas echt geslaagd is als je op het einde nog bij je vrouw bent. Dat is mij niet gelukt. Helaas. Dat blijkt moeilijk in de cross. Vraag me niet waarom.

Het sportrapport van Paul Herygers

Als kind was mijn idool …
Roland Liboton. Ik heb mij altijd aan hem gespiegeld.

Vandaag heb ik grote bewondering voor …
Alle crossers. En als ik één persoon moet noemen, dan Sven Nys.

Mijn mooiste sportmoment?
Mijn eerste Belgische titel in 1993 was mooi, maar het WK één jaar later was het allermooiste.

Mijn grootste ontgoocheling?
Dat ik niet in schoonheid heb kunnen eindigen. Ik heb te lang aangemodderd. Voor het geld, ja. Dat blijft knagen. Ik zou het niemand aanraden.