Ze was amper 18 en al een eerste keer Sportvrouw van het Jaar. Eén jaar later pronkte ze opnieuw met die titel. Uniek was het in die tijd: een Belgische die een WTA-tornooi won en de top twintig van de wereld in dook. Sabine Appelmans zou graag herinnerd worden als wegbereider van het vrouwentennis in ons land. En terecht.

We hebben afspraak in haar landelijke woning in Asse, de groene rand rond Brussel. Appelmans (45) woont er met manlief Serge Haubourdin en hun twee kinderen Obi (15) en Arno (12). Ruim zestien jaar is ze gestopt met toptennis, maar ze oogt nog even scherp. En ontspannen. Met dank aan een gezonde levensstijl met veel beweging, vooral lopen. Appelmans is gezondheidscoach dezer dagen. Voor al wie dat wil. Zo nam ze begin juni de Rode Duivels onder haar vleugels, voor een les yoga. “Een geweldige ervaring”, zegt ze.

Welke rol speelt tennis nog in je leven?

Deze zomer heb ik eindelijk nog eens een dubbeltornooi gespeeld. Dat was leuk. Die eerste jaren na mijn afscheid kon ik dat niet, spelen voor het plezier. Vandaag wel. En ik speel nog vrij goed, al zeg ik het zelf. (lacht) Tennis zal natuurlijk nooit uit mijn leven verdwijnen. Wat ik nu kan doen, is dankzij die periode. En ik ben nog steeds commentator voor Eurosport en VRT. Dus ik volg het op de voet, zeker.

Hoe is tennis in jouw leven gekomen? Jij had geen Appelmans, Monami, Clijsters of Henin om naar op te kijken.

Heel toevallig. Mijn ouders waren niet sportief. Maar onze buren hadden een tennisterrein. En wij mochten er spelen. Ik voelde al vrij vroeg dat dat mijn ding was. Ik kon er mij in uitleven. Ik werd snel opgepikt door de federatie. Toen ik elf was, zat ik al op internaat op de topsportschool in Wilrijk.

Was die combinatie moeilijk?

Ik was gelukkig een verstandig meisje. Ik kon goed inschatten hoeveel ik moest studeren. Maar ik heb ook getwijfeld, hoor. Toen ik naar het vijfde middelbaar moest. Ik speelde toen al tweede ronde op Roland Garros. Wou ik dat nog wel combineren? Maar mijn coach, de Hongaar Bertalan Csoknyai, hamerde keihard op discipline. Hij wou absoluut dat ik mijn secundair diploma haalde. Ik ben er hem dankbaar voor. Ik heb zo het gevoel dat ik nog ietwat een normale jeugd heb gehad.

“Ik was niet het grootste talent. Ik tenniste vooral graag, en ik was heel gedisciplineerd.”

Je was al vroeg top. Was het moeilijk omgaan met die roem?

Neen, toch niet. Er kwam veel op mij af. Ik had zelfs fotoshoots voor Panorama. Maar mijn coach en ouders zorgden ervoor dat ik niet ging zweven. Mijn ouders hechtten meer belang aan goed gedrag dan aan goede uitslagen. Ik deed dat ook niet zo graag, al die huldigingen. Ik wou liever met vriendinnen naar de cinema dan een avondje tafelen met oude bobo’s. Weet je, het moeilijkste aan dat leven was de eenzaamheid. Je hoort nergens bij. Je hebt wel vriendinnen op school, maar je kan nooit mee in het weekend. En in de tenniswereld ben je op jezelf aangewezen. Ik ben gelukkig vroeg op Serge gevallen. Ik was amper 19, hij 25. De federatie stelde hem aan als nieuwe coach. Maar lang heeft dat niet geduurd. (lacht) We werden verliefd. Dan moet je kiezen: ofwel doe je verder als speelster-coach, ofwel als koppel. Wij zijn voor het laatste gegaan.

Toen je begin 2001 stopte, zei Steven Martens: “Sabine maakte een schitterende carrière binnen haar mogelijkheden. Ze was niet bovenmatig technisch of fysiek begaafd, maar ze gaf zich altijd honderd procent. Dat wierp vruchten af.” Akkoord?

Absoluut. Ik was niet het grootste talent, en evenmin een superatlete. Ik tenniste vooral graag, en ik was heel gedisciplineerd. Dat karakter heb ik van mijn vader. Hij werkte 35 jaar voor Delhaize, en ik heb hem nooit een dag weten missen. Hij was de eerste daar, en ging als laatste naar huis. Wat mij ook gevormd heeft, zijn die zeven jaren op internaat. Daar moet je wel zelfredzaam worden.

Je hebt zeven WTA-titels, je speelde op drie Olympische Spelen, je stond zestiende op de wereldranking. Was dat het maximum?

Dat vraag ik mij soms af. Vooral dat laatste. Ik wou altijd top twintig. Wat als ik hoger had gemikt? Was top tien echt onmogelijk? Ik weet het niet. Het is Dominique (Monami, red.) ook gelukt. En zij kwam jarenlang na mij op de ranking. Ik zou zeker een en ander anders aanpakken mocht ik mogen herbeginnen. Ik zou er ten eerste al meer van genieten. Al zal iedereen dat zeggen. Ik was ook te veel een pleaser. Dat zorgde voor veel druk. Ik wou niemand ontgoochelen.

Eén van je hoogtepunten was de kwartfinale van de Australian Open in 1997.

(pikt meteen in) Toen ben ik ten onder gegaan aan de stress. Zonde. Dat was tegen Mary Pearce. Ik stond één set en 3-1 voor. Die kwartfinale was al mooi, dat was een unicum voor een Belg, maar een halve finale zou nog zoveel mooier geweest zijn. Eén jaar later ben ik op de Fed Cup tegen Frankrijk opnieuw ten onder gegaan aan de stress. Ik kon niet slapen de nacht voordien. Ik legde mezelf zoveel druk op. Natuurlijk verlies je dan die wedstrijd. Dat was verschrikkelijk. Ik liet de ploeg in de steek. Of zo voelde ik mij. Dat was de moeilijkste periode in mijn carrière.

Krijg je nog nachtmerries van die wedstrijd?

Neen, dat niet. Ik droom wel af en toe dat ik me vergeet in te schrijven voor een tornooi. (lacht) Vreemd, want ik kan me niet herinneren dat dat ooit gebeurd is. Wat die eerste jaren na mijn afscheid ook vaak voorkwam, is dat ik ’s nachts aan het tennissen was, dat ik die bewegingen maakte met mijn armen. (lacht) Maar goed, mijn palmares is mooi. Al verbleekt dat natuurlijk bij wat Kim en Justine nadien gepresteerd hebben.

“Mijn palmares is mooi. Al verbleekt dat natuurlijk bij wat Kim en Justine nadien gepresteerd hebben.”

Hoef je die vergelijking te maken? Van de huidige generatie zou iedereen tekenen voor jouw palmares.

Dat klopt. Dat moet ik misschien niet doen. Maar ik pak niet graag uit met mijn trofeeën.

Was jij egoïstisch genoeg?

Misschien niet. Dat kreeg ik weleens te horen. Een trainer zei eens dat ik een aura rond mezelf moest creëren. Maar ik kon dat niet. Ik ben nu eenmaal sociaal ingesteld. Je kan jezelf niet veranderen.

Waarom stopte jij op jonge leeftijd?

Zo jong was dat niet toen. Zowat alle vrouwen stopten vóór of op hun 30e. Ik wou graag mama worden vóór mijn 30e. Dat is ook gelukt.

Was het moeilijk een nieuw leven op te bouwen?

Ik heb vrij snel mijn weg gevonden. Alleen het omroepen bleek niets voor mij. Ik geniet van het leven zoals het nu is. Ik werk een drietal dagen per week, en heb daarnaast tijd voor de kinderen en mijn hobby’s. Zo mag het wel nog even duren. Al ga ik niet snel op mijn lauweren rusten. Ik heb altijd doelen nodig. Ik heb al de Galibier beklommen en een marathon gelopen. Het volgende doel is een halve triatlon.

Hoe hoop je de geschiedenisboeken in te gaan?

Dat mag zeker als wegbereider van het vrouwentennis in België. Daar ben ik fier op. Maar ik wil ook een inspiratiebron zijn. Ik wil iets teruggeven aan de sport. Dat doe ik nu door mensen te coachen en te helpen op hun levenspad. Dat vind ik heel belangrijk.

Onze vrouwen hebben het moeilijk vandaag in het tennis. Doet dat pijn?

Sporza zendt Wimbledon en de US Open niet meer uit. Dat vind ik jammer. Je voelt dat de aandacht voor je sport verdwijnt. Ik geloof heel sterk in Elise Mertens. Zij heeft het potentieel om de top twintig te halen. En hopelijk komt ook Alison Van Uytvanck weer boven water. Maar dan gaapt inderdaad een leegte. Dan wordt het wachten op de 12-jarigen van nu.

 

Sportrapport

Als kind was mijn idool …

Chris Evert.

Vandaag heb ik grote bewondering voor …

Serena Williams. Doet altijd haar ding, ondanks alle kritiek. Is baanbrekend, op en naast het terrein. Een sterke persoonlijkheid.

Mijn mooiste sportmoment?

De eerste keer Belgisch kampioen worden. Ik was amper vijftien, en won van Sandra Wasserman, toen top honderd. En iedereen die ik lief had, was er. Dat was anders na mijn eerste WTA-titel in Arizona. Toen zat ik daar, alleen op een hotelkamer.

Mijn grootste ontgoocheling?

Verliezen in de Fed Cup tegen Frankrijk in 1998.

 

(foto belga)