Wat een waanzinnig jaar was 2017 voor Sanne Cant. De 27-jarige veldrijdster uit Lille won alle belangrijke crossen: de Belgische driekleur, de Europese titel én het wereldkampioenschap. Op deze laatste dag van het jaar draaien wij háár film van het jaar.

Sanne Cant woont in Herentals nu. Anderhalf jaar geleden verliet ze het ouderlijke nest. “Het was tijd om die stap te zetten. Ik woon alleen, maar ik voel me niet alleen. Mijn ouders komen vaak langs. En ik kook graag mijn eigen potje. Dat is mijn ontspanning.” Cant groeide op in een wielerminnend milieu in Lille. De familie was fan van Erwin Vervecken, ook al een product van dat Antwerpse dorp. “Al van in de buggy ging ik naar de cross kijken.”

Heb jij ook andere passies?

Neen. Ook op school heb ik lichamelijke opvoeding gestudeerd. Ik voelde al snel dat ik iemand kon worden in de cross. En dat is toch wat iedereen wil, denk ik, iets bereiken in het leven. Mocht ik morgen moeten stoppen, ik zou niet weten wat te doen. Je hebt ook weinig tijd voor andere passies. Lezen vind ik niet plezant. En reizen op je eentje is ook maar saai.

Hoe zou jij je karakter omschrijven?

Ik ben redelijk koppig. En dat zie ik niet in negatieve zin. Een sporter moet koppig zijn. Ik geef niet snel op als ik iets wil. En ik heb lef, denk ik. Ook dat is nodig.

Was 2017 het mooiste jaar uit je leven?

Dat denk ik wel. Het was een heel straf jaar. Ik heb alle truien gewonnen die ik kon winnen. Wellicht maak je dat maar één keer mee.

Toen ik bij de elite begon, was het vrouwenveldrijden weinig waard. Dat is vandaag anders. Dat maakt me fier.

Laten we eens die film afspelen. Eerst was er het BK in Oostende, op 8 januari. Jij won voor de achtste opeenvolgende keer. Is dat nog speciaal?

Niet zo, moet ik toegeven. Ik beleef het BK als een wedstrijd die ik enkel kan verliezen. Dat zal ook ooit gebeuren. Dat besef ik heel goed. Ik kan komend jaar opnieuw de beste zijn, maar door pech moeten opgeven. De mensen verwachten elk jaar dat ik win. Dat brengt ook extra druk mee.

Dan was er het WK in Luxemburg, op 28 januari. Na twee keer brons en één keer zilver pak je eindelijk goud. Hoe voelde dat?

Zoals je zegt: eindelijk. (lacht) Dat was een grote opluchting. Ik was er al enkele jaren héél dichtbij. Ik moet toegeven dat ik begon te vrezen dat het nooit zou lukken.

Je was heel emotioneel na aankomst. Aan wie of wat dacht je?

Aan zoveel dingen. Eerst valt die druk van je schouders. Eindelijk. Dan zie je al die mensen rond je staan die je zo hard hebben gesteund. Ik denk in de eerste plaats aan mijn ouders. Ik was ook voor hen blij. Zij hebben alles opgeofferd voor hun drie sportende kinderen. Elk weekend was er wel een wedstrijd. Op vakantie gaan zat er niet in. Ik was zo blij dat ze er allemaal waren, ook mijn broers, om samen die titel te beleven.

De cross zelf was vrouw-tegen-vrouw met de Nederlandse legende Marianne Vos. Kon het scenario mooier?

Wellicht niet. Sommigen zeggen wel dat ik geluk had dat haar ketting afviel in de laatste ronde. Maar in de voorlaatste ronde had ik ook mijn deel van de pech. Uiteindelijk hebben we eerlijk kunnen sprinten, en was ik de beste. Ik krijg kippenvel als ik eraan terugdenk. (lacht) Toen ik aanzette, spookten alle mislukkingen van de voorgaande jaren door mijn hoofd. Ik was voortdurend aan het denken: niet opnieuw. Dat gaf wellicht extra kracht. Op televisie zag je dat Marianne plots stopte met sprinten. Maar ik zag dat niet. Tot ik effectief de meet gepasseerd was, dacht ik dat er plots een oranje truitje voorbij zou flitsen. Het is natuurlijk speciaal om net Marianne Vos te kloppen. Ik ben één van de weinigen die daarin geslaagd is op een WK. Marianne heeft al zeven titels. Dus ja, haar aanwezigheid maakte het nog mooier.

En diezelfde nacht vlieg je met haar in de gin-tonics.

(lacht) Dat was toeval. De Nederlanders zaten in hetzelfde hotel. Ik had met Maud Kaptheijns en Laura Verdonschot afgesproken. En Marianne kwam ook opdagen. Ik heb pas toen, die nacht, gezien hoe ontgoocheld zij was. Vlak na afloop leek ze vooral blij voor mij. Dat gaf op een vreemde manier wel voldoening: hè, Marianne heeft echt alles gegeven.

Op 5 november in Tabor word je voor de derde keer Europees kampioene. Hoe hoog schat je die titel in?

Heel hoog. Dat is anders bij de mannen. Daar bestaat het EK nog maar enkele jaren. Bij de vrouwen zie je dezelfde deelneemsters als op een WK.

Als er een Parijs-Roubaix voor vrouwen opgericht wordt, zou ik zeer graag aan de start verschijnen.

Op 7 november word je Flandrienne van het Jaar, voor het eerst. Wat betekent dat voor jou?

Dat wil zeggen dat ook andere mensen stilaan inzien dat veldrijden, ook bij de vrouwen, echt wel iets voorstelt. En dat voelt goed aan. Je ziet namelijk weinig crossers op die erelijst staan. Ik hoop dat ik mijn duit in het zakje heb gedaan. Toen ik tien jaar geleden bij de elite begon, was het vrouwenveldrijden weinig waard. We kregen amper startgeld. De starturen waren extreem vroeg. Dat is vandaag anders. Dat maakt me ook fier. Ik wou nooit alleen voor mezelf presteren, ik wou ook tonen dat vrouwenveldrijden een mooie sport is. Dat is gelukt. We tellen vandaag 32 crossen live op televisie.

Je hebt wel lef op dat vlak. Je weigerde dit jaar te starten in Leuven omdat je te weinig startgeld kreeg.

(knikt) Dat was in samenspraak met de ploeg. In het begin van het seizoen kreeg ik geen vraag vanuit Leuven. Na mijn wereldtitel kwam die vraag wél. Natuurlijk is je prijs dan gestegen. Dat lijkt me logisch. Dan moet je wel een signaal geven. Doe je dat niet, dan blijf je eeuwig koersen aan dezelfde lage prijs.

Moeten vrouwen evenveel verdienen als mannen?

Dat zal nooit lukken. Vandaag zitten we qua startgeld aan een vierde van de mannen. Dat is al een grote sprong voorwaarts.

Op 16 december eindig je zesde bij de verkiezing Sportvrouw van het Jaar. Was dat een ontgoocheling?

(blaast) Niet zo. Ik weet ook niet goed wie dat bepaalt. Ik zie dat bijvoorbeeld één krant weinig schrijft over vrouwenveldrijden. Dan kun je niet verwachten dat de mensen je prestaties kennen. Dat geeft aan dat vrouwenveldrijden nog niet helemaal naar waarde geschat wordt. Ik heb uiteindelijk drie titels gepakt. Niet iedereen die vóór mij eindigde, kan dat zeggen. Maar goed, ik wil dat niet opkloppen. De vrouwencross gaat vooruit, dat is het voornaamste.

Heb jij al moeilijke periodes meegemaakt in je carrière?

Wat is een moeilijke periode? Je kan eens een mindere dag hebben. Ik heb het voorbije jaar geworsteld met maag- en darmproblemen. Dan moet je doorbijten. Ik kan goed relativeren. Er zijn ergere dingen in het leven. Ik heb twee grootouders verloren aan kanker. Dat is wel wat anders.

Zie jij nog uitdagingen in het veld?

Ja, natuurlijk. Ik zou in de eerste plaats graag mijn titels verlengen. Ik heb nog een contract tot 2020. Zolang ik mij amuseer, doe ik verder.

En de weg, is dat een ambitie? Je hebt deze zomer deelgenomen aan het EK.

Klopt, en ik heb mij daar geamuseerd. Vroeger hield ik niet van wegwedstrijden. Wellicht omdat ik te vaak kermiskoersen in eigen land moest rijden. Ik hield veel meer van de variatie van de cross. Maar ik sluit de weg niet uit voor de toekomst. Ik denk ook dat dat te combineren valt. Als er een Parijs-Roubaix voor vrouwen opgericht wordt, zou ik zeer graag aan de start verschijnen. Die wedstrijd moet mij liggen.

Vanavond is het eindejaar. Wat doe jij dan?

Feesten zit er niet in. Op 1 januari is er alweer cross. Ik ga dus vroeg slapen. Ik heb nooit anders geweten. Ik vind dat ook niet zo speciaal: 2017 wordt 2018, en dat is het.